 |
Herinneringen aan de Toonder Studio's
|
 |
|
Siem Praamsma
Henk Sprenger
Fred Julsing
Harry van den Eerenbeemt
Thé Tjong-Khing (tekening)
Patty Scholten-Klein
foto
|
|
Siem Praamsma
|
De Toonder-Geesink Studio's tijdens de Tweede Wereldoorlog
|
Lake Elsinore, California, januari 2003
|
Voor degenen die in 1942 in de Toonder-Geesink Studios werkzaam waren, was de atmosfeer binnen de vier muren van het oude pand op een van de Burgwallen te vergelijken met een rustig eiland in een daarbuiten woedende, woelige wereld. "Daarbuiten" betekende dat er in ons fijne Amsterdam bazige vreemdelingen rond liepen in een variëteit van uniformen: grijs, groen, bruin, zwart, en die een constant oncomfortabel gevoel in de maagstreek veroorzaakten - een mengsel van angst, haat, frustratie, machteloosheid en verontwaardiging, dat je moet meegemaakt hebben om volkomen te begrijpen. Je kunt er over lezen, je kunt ernstig proberen je in dat gevoel in te leven, maar het echte "lood in de maag" komt niet tweedehands.
De tekenfilmwereld is er een van make-believe. Hier worden, op papier, tekeningen door animators een soort leven ingeblazen, een leven waar zij een zekere mate van controle op kunnen uitoefenen. Hierdoor kan de paradox ontstaan dat de make-believe-wereld op hun papier een grotere realiteit gaat innemen dan de "echte" wereld buiten. Buiten speelde zich een realiteit af, die eveneens op een dromerige fantasie gebaseerd was - de hersenschim van Das Dritte Reich, dat de straten van ons land onveilig maakte, en dat maar even 1000 jaar moest gaan duren.
Alleen het geweld was echt.
Tekenfilm mensen zijn doorgaans prettig om mee om te gaan en samen te werken. Het zijn haast zonder uitzondering acteurs/actrices-in-den-dop, met een easy-going dispositie en gewaar van het feit dat het tekenfilmbeest verlangt dat akties overdreven voorgesteld worden. Dit vereist het bezitten van een wat kinderlijke geest en een gevoel voor het bizarre.
Aan dit soort talent ontbrak het de Toonderstudios niet. Cees van de Weert, Hans Kresse, Wim Lensen, Henk Kabos, Jan Dirk van Exter, Henk Sprenger, Carol Voges, Wim Boost, Geertie Knoef, Frans van Lamsweerde, Henkie (later Henri) Albers, Albert(je) van Beek zijn namen die geen verdere uitleg nodig hebben. Goede wijn behoeft geen krans.
Voordat Marten Toonder deze precaire onderneming in het leven riep bestond er geen tekenfilm industrie in Nederland. Het gevolg was dat zeer weinigen van ons bekend waren met het klappen van de zweep, of het naadje van de kous, waardoor vrijwel alles wat we deden op dit gebied nog empirisch uitgevonden moest worden, want stiekem even bij Disney een kijkje nemen was er in 1942 natuurlijk niet bij. Dit was pure, onvervalste baanbrekerij.
Het leek soms wel alsof de Toonder-Geesink Studios, waar naar schatting een kleine honderd mensen met potlood en penseel de tijd doorbrachten met het produceren van een of meer tekenfilms, inderdaad opgezet was met het doel tijd zoet te brengen, want naar mijn weten is er nooit ook maar een volledig product aan de opdrachtgevers, met wiens geld ons salaris uiteindelijk betaald werd, afgeleverd. Ik hoop vurig dat het, zoals het gerucht ging, inderdaad een tak van het Duitse Ministerie van Propaganda is geweest dat bij de neus genomen werd.
Cees van de Weert (Sees, niet Kees), een prima tekenaar, die de leiding had van de tekenkamer, was belast met de training van ons aspirant-animators, en ontsloot voor ons de geheimen van sleuteltekeningen en tussentekeningen. Dit deed hij met veel geduld en begrip voor onze onbekendheid met de procedures, waar hij misschien zelf ook nog niet eens helemaal zeker van was.
De camera-afdeling werd behandeld door Nico van Baarle, die dit werk moest doen met primitieve horizontale exposure-sheets, (papieren waarop de opnamegegevens genoteerd staan) en een haast onbegrijpelijk cel-identificatie systeem. Het is mogelijk dat hij dit zelf had moeten bedenken - het leek alsof hij de enige in de studio was die hier kop en staart uit maken kon.
Johnny van der Meulen, die de leiding had van de inkt-en-indek-afdeling, had te kampen met een schaarste van "cels" (celluloid sheets waarop de tekening overgetrokken wordt en "ingekleurd", (toen natuurlijk nog in zwart-wit, en grijzen van licht tot donker). Cels waren vanwege de oorlogstoestand practisch niet te verkrijgen.
Omdat er bij het inkten en inkleuren met plakaatverf gewerkt werd was het mogelijk om sommige cels, nadat ze onder de camera geweest waren, van hun tekening te ontdoen door ze te "wassen" en te drogen, en misschien zelfs wel te strijken, waardoor ze voor een tweede en wie weet voor een derde keer gebruikt konden worden. Het zal de kwaliteit niet ten goede gekomen zijn.
Henk Sprenger, met zijn acteurstalent en zijn noodzakelijk gevoel voor het bizarre, vergastte ons op een dag, toen de hele studio getracteerd werd op een dagje uit, op een hilarische voorstelling van de toekomst van de Toonder Studios in 1952 of daaromtrent. In zijn voordracht schetste hij een complex torenhoge gebouwen, waarin honderden animators, in dag- en nachtploegen, de ene hoofdfilm na de andere voortbrachten, eindigend door met een zwierig toergids-handgebaar aan te kondigen: "En in dit drie-verdiepingen gebouw vinden wij de celswasserijen en -drogerijen." Marten Toonder was duidelijk geamuseerd.
Marten Toonder zelf was de man waar iedereen de grootste bewondering en respect voor had. Hij was tenslotte de auteur van de immens populaire Tom Poes strip, en pionier van de Nederlandse Tekenfilm Industrie, en stond daardoor volgens ons op een magisch voetstuk. Nederland's eigen Walt Disney. Wij zagen hem nu en dan Tom Poes strips in potloodvorm overhandigen aan Wim Lensen, die het inkten van de strip waarnam. Natuurlijk moesten we dan later even over Wim's schouder kijken als hij zijn kunsten op niet minder dan weergaloze wijze bedreef.
Nederland is helaas, en jammer genoeg, te klein voor het bezitten van een rendabele tekenfilm industrie. Als je je realiseert dat er 24 beeldjes in een seconde film gaan (86.400 voor een uur film!), waarvoor er minstens 12 tekeningen per bewegend figuurtje gemaakt moeten worden, en gecopiëerd, ingekleurd, gefotografeerd, plus in aanmerking neemt dat er dan al aardig wat werk aan vooraf gegaan is, zoals ontwerpen, schetsen, achtergronden schilderen, kwaliteit-controle en wat nog meer, is het duidelijk dat dit een uiterst arbeids-intensieve onderneming is.
Haast alle hierboven genoemde tekenaars hebben zich later geconcentreerd op het tekenen van strips voor dagbladen en tijdschriften. Vrijwel alle na-oorlogse kranten wilden een originele, in Nederland door Nederlanders geproduceerde strip plaatsen, naar het succesvolle voorbeeld van de Meester. Maar, hoewel er uiteraard overeenkomst bestaat tussen het tekenen van strips en het tekenen voor tekenfilm, is er ook een enorm verschil. Zoals Jan Kruis eens tegen me zei: "Strips tekenen, als je dat thuis doet, is waarschijnlijk het eenzaamste beroep ter wereld."
Er is geen substituut voor het gevoel van kameraderie dat ontstaat door het in concert werken aan een gemeenschappelijk doel. De Toonder Studios verschaften ons dit gevoel in de veertiger jaren. Het zal door de deelnemers niet licht vergeten zijn.
Siem Praamsma, Lake Elsinore, California, januari 2003
|
|
Henk Sprenger
|
 |
Uit de archieven van Henk Sprenger komen onderstaande bescheiden. De bovenstaande was een formulier dat vlak na de bevrijding nodig was om de stad Amsterdam te kunnen betreden. Daaronder Sprengers loonstrook uit de Toonder Studio's uit 1944.
|
 |
|
Fred Julsing
|
'n Vaste Betrekking
|
Fred Julsing, Grass Valley, California
|
Iemand, werkzaam bij de Toonderstudio's, zei me dat het m'n ontwikkeling als stripmaker ten goede zou komen als ik er ook kwam werken. Werken in vast dienstverband leek me de hel zelf, maar het argument dat ik op de studio's veel leren kon trok me aan. Ik stuurde enkele voorbeelden van m'n werk op. Een week later kon ik beginnen. Ik was in vaste betrekking. Ik meen dat ik als tegenprestatie vijfentwintig gulden per week ontving, maar het kan ook per maand geweest zijn.
De studio was gevestigd aan de Heerengracht, in het stuk tussen Torbeckeplein en Vijzelgracht, en bestond uit twee verdiepingen. Op de begane grond bevonden zich, naast de receptie, de directiekamer met schuin in een hoek het banaanvormig bureau van de zakelijk directeur Back, dat 'n zweem van Hollywoodiaanse ambitie verried, en een lange vergadertafel waaraan Toonder zelf twee maal per week medewerkers ontving. Er was een ruimte waar de verzending van strips naar kranten werd verzorgd. Dat ging in de vorm van papiermache matrijzen waarin op de drukkerij van de krant zelf lood werd gegoten. Het werk werd gedaan door de intens friese Wiebe Bouwius en de bebaarde Arnout, wiens achternaam ik niet meer weet, wier bijtende humor berucht was. Er klonk bij voortduring gelach uit die ruimte. Daarachter was een viertal ruimtes waar tekenfilmers hun werk deden. Er was, ver weg gedrukt in een hoek van het gebouw, de, als ik mij wel herinner, raamloze kamer waar Borge Ring, Jensen en nog een derde animator hun werk deden. Er was een ruimte waar Jan van Haasteren en Toonder's duitse ex-schoondochter in-betweende en waar Tom Kooreman eeuwig grinnikend meterslange decors penseelde. Er was de ruimte waar stapels cells aan de hand van nog langere schietlijsten geordend en bewaard werden. Er was de ruimte waar de meiden van de Paint & Ink hun werk deden. Met twee van hen werd met zekere regelmaat na het werk bier gedronken, wat wel eens uit de hand wilde lopen. Ergens was ook het heel duistere vertrek van de administratie en boekhouding, herinner ik me, maar ik weet niet meer waar. Ook die was raamloos.
Helemaal achter in het gebouw is de kamer waar aan strips wordt gewerkt. Het is een ruime, vierkante kamer. Dicht bij de grote ramen zitten aan tegen elkaar geschoven bureaus Wim Lensen, Richard Klokkers en Frits Godhelp. Dat is ook de pikorde. Aan een enkel tafeltje daar nog aan toegevoegd zit Teun, vijftien jaar oud. Hij plakt rasters in met blauw potlood aangegeven delen van de tekeningen en droomt van een loopbaan in de wielrennerij. Hij wordt er voortdurend tussengenomen, niet in de laatste plaats vanwege zijn onverstaanbaar west-friese uitspraak.
In een duistere hoek, ver verwijderd van de grote ramen en afgescheiden van de rest, is de plek voor hen die in de gangbare orde geen plaats hebben. Ik krijg er een wankel tafeltje toegewezen. Vanuit een kast met ongeregeld wordt na enig zoeken een oude, gebutste bureaulamp opgevist en mij ter hand gesteld. Na aansluiting ervan stel ik vast dat de schim die ik eerder meende op te merken daadwerkelijk een tweede personage is met wie ik de nis te delen heb. Het is ene Wim Baas, wiens schorre stemgeluid vol afwerend kommentaar ik nog steeds horen kan, evenals zijn smakkende lach. Leeftijdsgenoot Wim zit tegenover me en doet vage dingen. We liggen elkaar wel. We zullen zelfs nog een poging doen om samen een strip te maken - iets met treinen of zo. Er wordt me een miniem tekenplankje ter hand gesteld, vol inktvlekken en punaisegaten. Ik kan aan het werk.
|
 |
Ik ben de assistent van zowel Thé Tjong-Khing als van Jan Wesseling. Onder Khing's leiding doe ik inktwerk aan de strip 'Student Tijloos', onder Wesseling doe ik dat aan 'Hollewijn'. Het is niet gemakkelijk de heren bij te benen; Khing's penseelwerk is virtuoos, Wesseling is een absolute rot in het vak. Maar op de een of andere manier lukt 't. Veel later zal Khing in interviews heel aardige dingen over me zeggen.
Als er aan 'Tijloos' werd gewerkt zat Khing boven in het gebouw. Uiterst vaardig sneltreinvaartte hij er dan de hele weekproduktie in een dag of twee doorheen. Op zulke dagen deelde hij er met Lo Hartogh van Banda en Andries Brandt een pover vertrekje, met uitzicht op de achtergevels van het Torbeckeplein. Dick Matena had er 'n plek aan net zo'n viezig tafeltje als dat van mij.
Er hangt humor, daar in dat met het kleinst denkbare liftje bereikbare optrekje; dit in tegenstelling tot de tekenkamer beneden waar de domp van desillusie verstikkend is. Andries Brandt, de neus als een overmaatse aardbei, de grijsblauwe oogjes slim en ziend, boezemt me van het begin ontzag in. We zullen een aantal keren hecht samenwerken. Eens, ik free-lance dan al meer dan tien jaar voor de studio, waarschuwt hij me grimmig zijn protegée Patty Klein, met wie we samen een projekt voorbereiden, nimmer een haar te krenken. Ik ben meer dan verbaasd. Ik heb geen enkel verlangen in die richting. Waar komt zo'n slechte naam vandaan? Het keerpunt in de relatie met Brandt komt als blijkt dat we dezelfde licht revolutionaire maatschappelijke interesses delen. In gezelschap van zijn moeder hebben we eens een zakenbespreking in een naar boenwas riekende bodega ergens in Leerdam, dicht bij zijn woonplaats. Een groot gedeelte van het gesprek wordt in beslag genomen door de bespreking van hoge idealen. Zijn moeder geniet zichtbaar. Nog later, tegen het eind van zijn leven, hebben we een enkele keer telefonies kontakt waarbij beduidende vonken overslaan. Ik leef op dat moment maar een paar kilometer van het betuwse dorp waar hij en zijn bejaarde moeder een eeuwenoude boerderij bewonen maar zoek 'm gek genoeg nooit op. Het kan vreemd lopen.
Ik heb hem mede ten grave gedragen, van zijn huis naar de begraafplaats in 'n stoetje lopend achter de baar; niet meer dan een stevige steenworp gaans, met daarna dunne koffie met gele cake in een kaal zaaltje in het dorpshuis. Het was een heel grijze dag, en het dorp met de frans aandoende naam leek nog ouder dan anders.
|
 |
Lo Hartog van Banda liep niet, hij zweefde; naar schatting een centimeterje of tien boven de grond; op sombere dagen misschien iets minder. Zijn middel van vervoer was een driewielige Messcherschmitt, een vleugelloze vliegtuigcockpit eigenlijk, te besturen met een plastic kinderfietsstuurtje. Daarmee waagde hij zich dagelijks in de verkeersgekte tussen Den Haag naar Amsterdam. Hij nam ook weleens lifters mee, vertrouwde hij me eens toe. Lo was een plotwonder en als zodanig de anonieme maar onvervangbare spil van de studio; hij schudde de mini-dramaatjes uit de mouw waar je bij stond.
Ik bewees Lo op een rare manier eens een dienst, zonder het me daarvan bewust te zijn. Ik woonde in Rotterdam, waar ik de kunstkring bezocht. Daar kwam ik, onder een biertje, te spreken met de eindredakteur van de toen trendsettende Haagse Post. We babbelden over politieke toestanden, mijn idealen als stripmaker en, o ja, het feit dat ik twee dagen per week het potloodvoorwerk voor de Bommeldagstrip deed. Voor ik het me goed realiseerde stond de sterreporter van het blad bij me op de stoep. Aan het eind van de week verscheen in de zachtroze tabloid een op de cover aangekondigd interview met me, waarin ik rissen heel verkeerde dingen zei, want tja, beroemd zijn, dat moet je leren. Wat het meest insloeg was de onthulling dat Toonder al die produkties niet in z'n eentje deed; iets wat de man nooit had verkondigd, maar toch. Het was alsof ik een fles ontkurkte. Er heersten nogal wat 'en ik dan?'-gevoelens onder studiomedewerkers. Binnen een maand las ik een interview met Lo over zijn rol in de Toonderstudio's, daarmee de eerste schreden naar zelfstandigheid zettend, vrij snel in de richting van zijn Berenboot- en Ti-ta-tovenaarsuccessen.
Hij mocht me wel, geloof ik, die Lo.
|
 |
Omdat het dagelijks treinreizen van Den Haag, waar ik op dat moment woonde, naar Amsterdam mij zwaar viel had ik een eenvoudige oplossing bedacht, die er op neer kwam dat als ik een uurtje later op de studio arriveerde en ik gedurende de lunchpauze zou doorwerken daar niemand schade van zou ondervinden. Op die manier zou ik tenminste de gekte van de spits ontlopen. Ik legde Lensen, en later Toonder, uit dat het idee er een was van pure efficientie, die alle 'partijen' zou doen winnen. In ruil voor het uur respijt zou ik de anderhalf uur durende lunchpauze doorwerken. De voor de hand liggende logika sloeg niet aan. Vooral in de tekenkamer gingen de ogen op scheef.
Dan, op een dag, blijkt 's ochtends bij mijn binnenkomst de tekenkamer gevuld met een atmosfeer die men snijden kan, zo niet zagen, raspen of vijlen. Ik weet, dit is vijandigheid jegens mij. "Er wordt over je geluld," zegt Wim Baas met zijn vochtige sjekkiesstem zacht als ik plaats neem aan mijn tafeltje. Hij kijkt niet op van zijn werk. "Pas op."
Ik weet niet precies meer hoe het ging, maar van produktie kwam wat mij betreft niet veel die dag. Vijandige sferen stimuleren me niet. Dus deed ik wat ik mijn hele leven doe als ik me bedreigd voel; ik maakte mij onkwetsbaar door gewoon lekker te gaan zitten tekenen. Voor mezelf. Iets waar ik zin in had.
Gemeten naar de verhoudingen in de tekenkamer had ik dat beter niet kunnen doen. Bekeken vanuit een hoger perspektief was het de perfekte zet. Met mijn simpele aktie reet ik tientallen jaren ondergeschoffelde behoeftes open, waardoor de heren alleen maar in verbijstering konden toezien. Het was Klokkers die als eerste zijn spraakvermogen hervond. Iets azijneriger dan gebruikelijk nog kwam hij met een verdachtmaking van, naar ik me herinner, nogal fors kaliber. Ik reageerde daarop hard want dat kan ik ook. "Niet doen," fluisterde Baas aan de andere kant van het tafeltje, nog steeds zonder op te zien. "Het is M. die kwalijk over je loopt te lullen." Dat bleek. "Ik zei alleen maar wat M. over je zei.", koos Klokkers eieren voor zijn geld.
Niet lang daarna word ik bij Toonder ontboden. We hebben het altijd leuk als we met elkaar praten, er heerst de warmte als van een beginnende vriendschap tussen ons. Maar dit keer heeft hij het moeilijk, nerveuzig wrijft hij de lange, bleke handen over elkaar. Peinzend vanonder de ruige wenkbrauwen staart hij voor zich uit. Dan schraapt hij de keel. "Fred," spreekt hij, de stem rollend over de r alsof het feilloos rond gesteente is, "Misschien is het maar beter als je voortaan thuis werkt."
Van binnen in een wilde dans rondjuichend neem ik terwijl linten in een regenboog van kleuren op mij neerdwarrelen en van niet te ver het geschal van klaroenen klinkt het voorstel met beide handen aan en omhels het.
Fred Julsing, Grass Valley, California, dec. 2001/ juni 2003
|
 |
|
Harry van den Eerenbeemt
|
September 2001
Ik werkte bij de Toonder Studio's in de episode 1957-1962, waarvan de laatste drie jaren als freelance medewerker. Strips die ik schreef waren onder andere de "naturalistisch" getekende krantenstrip 'Marion' (in De Telegraaf), de balloonstrip 'Tom Poes' (in Donald Duck Weekblad), en de tekststrip 'Kappie' (in diverse bladen). Er moeten er nog meer zijn geweest, want er staat me bij dat ik op een gegeven moment vijf verschillende strips van teksten en beeldaanwijzingen voorzag. Met hun aanwijzingen voor de afbeeldingen bij de teksten functioneerden de schrijvers feitelijk als een soort "regisseurs" avant-la-TV. Ik weet niet of zij het allemaal deden, in elk geval was het praktijk bij Lo Hartog van Banda en mijzelf.
Ik las over Waling Dijkstra, dat deze onder andere deel uitmaakte van de "braintrust". Voor zover ik me herinner, is deze pas vrij laat opgedoken met een idee voor een 'Marion'-verhaal en ik heb niet de indruk dat hij erg lang voor de Toonder Studio's heeft gewerkt. Er waren ook auteurs-tekenaars, waarvan Willy Lohman en Dick Vlottes zeker moeten worden genoemd. Ook Gerrit Stapel bracht zijn eigen verhalen in. Tekenaars waar ik veel mee heb samengewerkt zijn Jan Wesseling, Thé Tjong-Khing, Ton Beek en Ben Klokman(?).
Cees de Weert had de productieleiding over de tekenstudio en was tegelijk "traffic manager". In de filmstudio's beneden waren Pamela en Harold Mack bezig met het creëren van de tekenfilm 'Moonglow'; in een belendende ruimte kon je Han van Gelder bezig zien met papieren knipselvormen voor een film, die naar ik meen ging over een legende van een Verdronken Stad. Ook ontstond daar de film 'Paleontolgie', waarvoor hij vermoedelijk als eerste een 'Jurassic Park' met model-saurussen schiep. Deze film heeft later nog een prijs gewonnen. En dan waren er de echte film-animators Borge Ring en Jensen, twee Denen, die een brokkelig soort taaltje spraken. Van de filmafdeling had John van der Meulen de productieleiding. Elke vrijdag kwam Marten Toonder in eigen persoon, hield s'ochtends zitting met de schrijvers om de stand van de verhalen door te spreken en s'middags trok hij zich terug voor besprekingen met de heer Back, zakelijk directeur.
De Toonder Studio's bevonden zich aanvankelijk in de Reguliersdwarsstraat, in een doolhofachtig gebouwencomplex, dat je ontving als een smal pittoresk jordanig huisje, maar dat zich, wanneer je eenmaal binnen was, met trappen, gangetjes, sleuven en afdalingen opeens naar onverwachte kanten uitbreidde. De schrijver Jan Gerhard Toonder woonde op steenworp afstand op het Singel. (Wel handig, want als-ie op Ibiza was, en dat was hij meestal, dan stelde hij zijn appartement gastvrij ter beschikking als werkruimte voor Banda of mij). De oude heer Toonder senior kwam op gezette tijden binnenstappen, wierp fronsend een blik in elk werkvertrek en trok zich dan zwijgend terug in de de kamer van zoon Marten. Zowel Wal Rus als Kappie zijn min of meer gemodelleerd naar deze knoestige kapitein. De verhuizing naar de Geldersekade heb ik nog meegemaakt, maar ik meen dat ik toen al vanuit mijn werkplek thuis bijdragen leverde.
|

briefhoofd 1968
|
|
|
|
 |
De Toonderstudio omstreeks 1957, getekend door Thé Tjong-Khing. Van links naar rechts: Frits Godhelp, Ton Beek, Richard Klokkers, Anke de Boer, Wim Lensen, Ten Hoopen, Thé Tjong-Khing, Marijke Brouwer en Cees van de Weert.
|

briefhoofd 1970
|
|
|
|
Februari 2001
Misschien moet ik ook nog even uit de doeken doen hoe Toonder Studio's reilde en zeilde in de tijd dat ik er, free-lance, maar full-time, werkte van 1966 t/m 1973: Andries Brandt was benoemd tot chef van de stripstudio na Toonders vertrek naar Ierland. De Tom Poes dagstrip kwam uit Ierland. Er was geen gebrek aan werk. Er was de Donald Duck-productie, de Flintstones, Pelle Svanlös voor het Zweedse Semic Press, Polletje Pluim achterop Prinses, de Tom Poes balloonstrip voor Donald Duck enz. Genoeg werk voor twee schrijvers (Andries en ik) en een flinke groep free-lance tekenaars: Ton Beek, Jan Steeman, Jan van Haasteren, Dick Vlottes, de drie Toonder-tekenaars Klokkers, Lensen en Godhelp. Piet Wijn, Dick Matena, Julsing werden soms ingeschakeld bij lopende producties. Dan waren er nog tekenaars-schrijvers die samen een complete strip aanleverden zoals Khing en Banda met 'Arman en Ilva', Fred Julsing met 'Komkommertje', Gerard Soeteman met 'Floris'. Bert Kroon was direkteur van de Studio, maar bemoeide zich niet of nauwelijks met de strip; hij was een film-man. Andries en ik kregen begin 1970 opdracht om een groot aantal nieuwe strips te onwikkelen. Zo is bijvorbeeld 'Horre, Harm en Hella' ontstaan en 'Bartje en Opa' (tekst van mij, tekeningen Jan van Haasteren).
Rond 1970 werd er een speciale verkoper voor de strip aangetrokken: Ab Dingemans-Wiertz. Dingemans-Wiertz zag kans om de opbrengst van de strip in een jaar tijd te verdubbelen, vooral door de prijzen van de dagstrips die al jaar en dag hetzelfde waren, flink op te trekken. Toch bleef de stripafdeling rood staan in de boekhouding. De onkosten van de huur van het kasteel in Nederhorst, onderhoud kasteel, wagenpark, boekhouding en dergelijke werden namelijk fifty-fifty over de strip en de film verdeeld. De strip maakte wel winst (er werd immers bijna uitsluitend met free-lancers gewerkt), maar geen grote winsten, in tegenstelling tot de film. Bert Kroon had geen hart voor de strip, bemoeide zich er niet mee maar klaagde wel steeds dat de strip "verlies" maakte.
Er kwam een grote opdracht van Kauka Verlag in München voor het blad Fix und Foxi in 1973. Bert Kroon waarschuwde dat we kostte wat kost deze opdracht binnen moesten zien te halen om de stripstudio te redden. We maakten een aantal verhalen die zeer enthousiast werden ontvangen in München, de opdracht ging door, maar... Bert Kroon hief toch de stripstudio op - dat was hij kennelijk al eerder van plan geweest, maar hij zocht een stok om de hond te slaan. Eerst werd de verkoper ontslagen, zodat er geen strips meer verkocht werden. Toen werd met Andries een afvloei-regeling getroffen, zodat er ook geen strips meer gemaakt werden. De free-lancers zoals Jan Steeman, Jan van Haasteren en ik, zochten ons heil bij Pep, Sjors en Donald Duck.
Andries en ik kregen als pleister op de wonde van Toonder Studio's de Kauka-opdracht mee. Na pakweg maart 1973 bestond de stripstudio alleen nog uit de drie tekenaars in loonddienst (die vaak bij de tekenfilm werden ingeschakeld als er geen stripwerk was) en een aantal free-lance mensen die thuis hun eigen strip maakten voor kranten en dergelijke maar waar het stickertje Toonder Studio's wel in stond ('Armand en Ilva', 'Horre Harm en Hella', 'Aafje Anders', 'Floris' en de Toonder-strips als 'Tom Poes' en 'Panda'). Af en toe kwam er een reclame-opdracht binnen van firma's die op de nog steeds goede naam van Toonder Studio's afkwamen. Dit is zo gebleven en alleen nog slechter geworden - de stripafdeling van Toonder Studio's bestond bijna alleen nog op papier - tot verleden jaar de studio écht opgeheven werd.
Dit is, hand op mijn hart, de ware geschiedenis van de stripafdeling van Toonder Studio's, zoals ik die van 1966 tot 1973 heb meegemaakt.
|
|
 |
Foto van de Toonderstudio's uit 19??. Geheel rechts: Carol Voges. Midden, met mijter: Marten Toonder. Willen de overige personen zich identificeren?
|
|
Ook bij de Toonder Studio's gewerkt?
Herinneringen te delen?
Stuur ze op naar Lambiek!
|
 |