  |
Na 1945
Opbloei
|
 |
Krantenstrips zijn er genoeg in de jaren na de oorlog, te veel om op te noemen. Iedere krant heeft er wel één, sommige voeren zelfs twee strips tegelijk. Hun namen hebben voor bepaalde generaties een bijna magische klank: 'Appie Kim', 'Jochem Jofel', 'Ketelbinkie', 'Kapitein Rob', 'Jimmy Brown'... En dan spreken we nog niet eens van de strips uit de legendarische Toonder Studio's.
|
  |
 |
Een groot deel van het Nederlandse tekenaarsbestand werkt in deze periode voor Marten Toonder. Uit de Toonder Studio's komen vele kwaliteitsstrips, evenals het tijdschrift Tom Poes Weekblad, dat vanaf november 1947 verschijnt. Vooral bij de dierenstrips is het duidelijk dat series als 'Panda' en 'Tom Poes', door hun kwaliteit min of meer maatgevend waren. 'Jimmy Brown', 'Tekko Taks' (H. Kabos) en 'Robby' (H.G. Kresse) lijken geïnspireerd door deze voorbeelden, maar ook andere verhalen zoals 'Jochem Jofel' (Siem Praamsma), 'Bim' (Piet van Elk) en 'Smidje Verholen' (A. van Delden) vertonen duidelijke Toonder-invloeden.
|


|
Al deze verhalen lijken zich in een soort Rommeldam af te spelen of op dat typische Marten Toonder-platteland, met zijn kleine, dichte bosschages, hier en daar een hekje, mijlpalen en wegwijzers en soms, aan de horizon, de contouren van een stadje met torens en een enkele boogconstructie, zodat de aandachtige toeschouwer Rommeldam niet ver weet.
|
 |
Ook Hans G. Kresse, de vader van de later zo legendarische Eric de Noorman, begint zijn carrière bij de Toonder Studio's. Hij tekent hier 'Robby', een dierenstrip, voordat hij op meer realistisch werk overgaat. 'Matho Tonga' is ook van zijn hand.
|
 |
Schrijver/tekenaar Wim Meuldijk 'vond' samen met Ton van Heusden een voorraad van het dan schaarse papier, waarmee ze het nieuwe blad Sneeuwvlok van de grond konden krijgen. Uiteindelijk zouden van Sneeuwvlok tien nummers verschijnen. Later ontpopt Meuldijk zich tot de inspirerende artistiek directeur van de Ketelbinkie Krant (zoals het blad in Rotterdam heette) / Robs Vrienden (de rest van Nederland).
|
 |
Op 11 december 1945 verscheen in Het Parool voor het eerst de heldhaftige gestalte van Kapitein Rob van Stoerem - spoedig bij eenieder bekend om zijn spannende avonturen. Deze tekststrip van de hand van Pieter Kuhn was onmiddellijk een groot succes. Al gauw werd er het weekblad Robs Vrienden aan gewijd.
(Illustratie op cover hiernaast : Piet Deunhouwer)
|
 |
|

Kapitein Rob en zijn antagonist, professor Lupardi |
 |
Op donderdag 17 mei 1945 stond in het Rotterdams Parool de volgende tekst op de voorpagina:
"Mogen wij onzen lezers even voorstellen aan Ketelbinkie? Ketelbinkie, het figuurtje, dat de jeugdige teekenaar Wim Meuldijk ontwierp, is de verpersoonlijking van den doorsnee-Rotterdammer in zijn lief en leed, in zijn momenten van heldenmoed en in zijn momenten van bezinning. Wat ons het meest in Ketelbinkie aantrekt, is zijn volmaakt democratische karakter. Onder de Duitsche bezetting werden de Ketelbinkies vertrapt en mochten zij niet voor het voetlicht treden. Daarom verheugt zijn openlijk optreden in "Het Parool" ons zoozeer. Mogen de lezers Ketelbinkie ook leeren waardeeren, eens om hem lachen en eens over zijn belevenissen nadenken!" |
|
  |
Joop Geesink, die in 1943 was opgehouden samen te werken met Marten Toonder in de Toonder-Geesink Studio's om zich meer op animatie te richten, tekent in deze tijd nog wel de avonturen "uit het veelbewogen leven" van Fokkie Flink, op tekst van Henk de Wolf. Later neemt Henk Zwart de tekenpenseel van Geesink over. Van de opbrengst werden schranspartijen georganiseerd voor de hongerige stadsjeugd.
|
  |
In september 1945 richt tekenaar Piet van Elk in Amsterdam de naar hem genoemde studio op, om herrijzend Nederland van krantenstrips te voorzien. De studio start op het Singel, om in 1947 op een bovenhuis in de Albrecht Dürerstraat 1 te worden voortgezet.
|


|
Naast striptekenaars als Siem Praamsma, Henk Albers, Hans Nije, Albert van Beek en Willy Kuijper, waren er ook tekstschrijvers in dienst. Dit waren Ed Bayer, die nog enige tijd hoofdredacteur van Vrij Nederland was, en onder de naam Hilarion zijn bijdrage leverde, en de later door de radio beroemd geworden Flip van der Schalie. Meneer Stokreeft deed het inktwerk. Naast een aantal strips voor de krant, zoals 'Oem' en 'Dokie Durf', gaf de studio een eigen tijdschriftje uit, Stripfilm geheten. Hiervan zijn vijf nummers verschenen.
|
 
Hierboven: de populaire Smidje Verholen van Studio AVAN. |
 |
 |
Een andere stripstudio die omstreeks deze tijd wordt opgericht is de wat kleinere studio AVAN in Den Haag. In 1946 gestart door A.W.L. van Delden, moet deze studio, o.a. door het succes van 'Smidje Verholen', al snel andere tekenaars aantrekken. Bär van Hemmersweil, Willy van Giffen, Jan van Haasteren en later Frits Kloezeman komen de gelederen versterken. |
|
De Nederlandse krantenstrip is in deze periode altijd een tekststrip - een strip met, naar vooroorlogse traditie, de tekst onder de plaatjes. Balloons treft men niet aan, hoogstens staat er eens een vraag- of uitroepteken in de tekening. Dit bestempelt de krantenstrip - in tegenstelling tot de beeldroman - tot een voor veel opvoeders aanvaardbare strip: er valt tenminste wat te lezen. Soms is die tekst zelfs nog op rijm ('Baron Liever Lui', van Carol Voges).
|
 |
Een dergelijke tekstverwerking leidt er toe, dat ook erkende literators zich aan de strip wagen, zoals Godfried Bomans, die de tekst schreef voor 'Pa Pinkelman', getekend door Carol Voges. De Vereniging van Letterkundigen acht het niet beneden haar waardigheid aan het tekstgedeelte van dit type strips literaire verdienste toe te kennen: in 1955 verwerft Marten Toonder het lidmaatschap van de Vereniging. |
|
Niet altijd waren de onderteksten juweeltjes van stijlkunst. Bij de eerste 'Kapitein Rob'-verhalen waren de teksten nog uitgesproken naïef, 'Eric de Noorman' ademt daarentegen een romantische geest, vol nobele clichés, dankzij de schrijver Waling Dijkstra. De lezer ontmoet hier menig 'jongeling met edel gelaat'. De Nederlandse krantenstrips kenmerken zich verder door de afwezigheid van kleur, een beperking opgelegd door het feit dat ze hoofdzakelijk in kranten verschenen. Het gevolg hiervan is dat de tekenaars een groeiende vaardigheid aan de dag legden in het gebruik van rasters en zich soms ontwikkelden tot ware meesters in zwart-witeffecten. Ook bij de keuze van de locaties leken ze van de nood een deugd te maken: donkere wouden, grauwe moerassen en grijze noordelijke zeeën vormen de achtergrond van de avonturen van de held.
|
 
|
Het meest 'Hollandse' aan deze strips is misschien nog de sociale binding van de hoofdfiguur. De Nederlandse held in het realistisch avonturenverhaal is namelijk gehuwd en heeft zelfs kinderen: Kapitein Rob heeft er twee, net als Kick Wilstra, van tekenaar Henk Sprenger, en wie kent niet Erwin, de oogappel van Eric de Noorman. De kinderen lijken een soort waarborg voor de toekomst van de serie: zij zullen, als vader oud is, de heldenrol gaan overnemen.
|
"Toen Frank de Vries, de zoon van een apotheker uit een kleine gemeente in Friesland, nog op de schoolbanken zat, had hij slechts één verlangen: vlieger te worden. Het spreekt dan ook haast vanzelf, dat hij zich na zijn eindexamen HBS meldde voor de opleiding tot officier-vlieger bij de Koninklijke Luchtmacht. En tijdens zijn opleiding, toen hij gestationneerd was op de vliegbasis, maakte hij kennis met kapitein Rob, de zeeman, die jarenlang over de zeven zeeën heeft gezworven, die nu met vrouw en kind aan boord van zijn tjalk in de haven van Terschelling woont."
Uit het voorwoord van: 'Frank, de Vliegende Hollander - Koraalduikers van de Stille Zuidzee', tek. Piet Wijn, in Parool, 1955
|
 |
In 1947 verscheen in Trouw de tekststrip 'Inde Goude Gaper', door W.G. van de Hulst sr. (tekst) en jr. (illustraties). Vader en zoon van de Hulst hadden in de jaren dertig reeds roem vergaard met hun populaire strip 'In de Soete Suikerbol'. Ook 'In de Goude Gaper' kende redelijk succes, en verscheen al gauw in boekvorm. Omstreeks 1965 werd de serie nogmaals geplaatst in Het Reformatorisch Dagblad.
|
  |
Jan Dirk van Exter is ook een tekenaar die in deze tijd actief was. In de oorlog werkte hij bij de Toonder-Geesinkstudio's, voordat hij door de bezetter werd opgepakt en naar een werkkamp vervoerd. Hier verzamelde hij allerhande moppen die de ronde deden, en die hij bij zijn terugkeer in boekvorm uitgaf onder de titel 'Ken-je-die?' In 1946 begon hij met de balloonstrip 'Rikki', waarvan hierboven twee uitgaves staan afgebeeld. 'Terra Incognita' is extra curieus, omdat deze strip zich afspeelt in het menselijk lichaam.
|
  |
Ook verschijnt in deze tijd voor het eerst 'Paulus de Boskabouter' van Jean Dulieu.
|
 |
In de zomer van 1946 verschijnt in de Volkskrant de strip 'Mannetje Bagatel', met tekst van Bertus Aafjes en tekeningen van Eppo Doeve. Het is een van de twee enige (tekst)strips die Doeve gemaakt heeft - de andere is 'Kleine Isar', eveneens met tekst van Bertus Aafjes, die in 1962 in Elseviers Weekblad verscheen.
|


|
Arnold Clerkx (de vader van Aart Clerkx) tekende in De Nieuwe Dag de strip 'Ling Khi Tong'.
|
 |
'Karel Kwiek' van Ton Smits verscheen in de Helmondse Courant in de periode 1946-1947. |
|
 |
'De Avonturen van Ome Keesje', geschreven door Willem van Cappellen, verschenen oorspronkelijk als hoorspel, maar waren zo populair dat zij rond 1947 ook in boekvorm werden uitgegeven, met illustraties van Henk Zwart.
|
 |
  |
Wanneer de papierdistributie in 1948 wordt opgeheven verschijnt er een groot aantal tijdschriften op de Nederlandse markt. Vaak worden de bladen nog erg gebrekkig gedistribueerd en zijn ze alleen in de omgeving van de plaats van uitgave te krijgen. De bladen waren gevuld met filmsterren en moppen en de meeste waren wanhopig op zoek naar Nederlands vrouwelijk covertalent.
|
  |
Een klein aantal bladen gaf ook Nederlandse striptekenaars de kans hun werk te etaleren. Maar om een Amerikaanse indruk te wekken, werd er rijkelijk gebruik gemaakt van anglo-saksisch klinkende pseudoniemen, zoals Morton Mill, Donkey Shot, Dompey en Fred Somer. Het is niet ondenkelijk dat John Kennis achter veel van deze namen schuilt. Zeker is dat Fred Somer een schuilnaam is voor Henk Backer.
|
 |
Het land is nog niet bevrijd of het oud-Hollands gekanker begint alweer. In de duidelijk voor een volwassen publiek gemaakte commentaren van Henk Backer (Fred Somer) in Kiekeboe kon het herrijzen van Nederland niet snel genoeg gaan.
|



|
  
|
Boven en onder: waarschijnlijk werk van John Kennis
|
 |
 |
In De Optimist stonden weliswaar geen strips, maar we wilden u dit covertje niet onthouden. |
|
   |